ikhyperventileer.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties

    Paniekstoornis

    De paniekstoornis is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de angststoornissen. Vroeger werd het verward met hyperventilatie. Het belangrijkste kenmerk van de stoornis is het regelmatig optreden van paniekaanvallen. Iedereen kan in paniek raken in een (levens)gevaarlijke situatie, maar bij de paniekstoornis is de paniek pathologisch en niet in verhouding tot de omstandigheden. Indien de paniek herhaaldelijk optreed door confrontatie met een (specifiek) object of situatie, kan sprake zijn van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld PTSS of een fobie (zie de exclusies in criterium D).

    Paniek is een korte, maar zeer sterke vorm van angst die zowel lichamelijke als psychische gevolgen heeft. De persoon heeft tijdens een aanval een verhoogd hartritme, transpireert, heeft ademhalingsproblemen, kan misselijk of duizelig worden en heeft soms koude rillingen. Psychisch ervaart de persoon angst om dood te gaan of lichamelijk letsel op te lopen, heeft een verdoofd gevoel en ervaart derealisatie of depersonalisatie.

    In veel gevallen komt het voor dat de persoon ook een angst ontwikkelt om een paniekaanval te krijgen. Hij zal in dit geval alle situaties mijden die dit risico met zich meedragen. Dit wordt agorafobie of pleinvrees genoemd. Het DSM-IV onderscheidt de paniekstoornis met en zonder agorafobie als twee afzonderlijke aandoeningen. Het handboek vermeldt ook agorafobie zonder historie van de paniekstoornis (dus agorafobie zonder paniekaanvallen).

    De oorzaak van de paniekstoornis is niet eenvoudig aan te geven. Naar alle waarschijnlijkheid is het een combinatie van biologische factoren (er moet een zekere gevoeligheid voor bestaan) en psychische factoren (bijvoorbeeld het verdringen van een pijnlijke herinnering).

    Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor de paniekstoornis met agorafobie:

    • A. Zowel (1) als (2) zijn van toepassing:
    1. Herhaalde onverwachte paniekaanvallen.
    2. Minimaal één van de aanvallen is gevolgd door minstens één maand met minstens één van de volgende criteria:
      1. Aanhoudende zorg over nieuwe aanvallen.
      2. Zorg over implicaties of gevolgen van de aanval (bijv. de macht over zichzelf verliezen, een hartaanval krijgen, gek worden).
      3. Een duidelijke verandering in gedrag in relatie tot de aanvallen.
    • B. Het optreden van agorafobie.
    • C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van het innemen van een substantie (bijv. drugs of medicijnen) of een somatische aandoening.
    • D. De paniekaanvallen zijn niet uitsluitend het gevolg van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld de sociale fobie (bijv. blootstelling aan gevreesde sociale situaties), specifieke fobie (bijv. blootstelling aan een specifiek fobische situatie), obsessief-compulsieve stoornis (bijv. blootstelling aan vuil van iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijv. als gevolg van prikkels die gekoppeld zijn aan een ernstige stressfactor) of separatieangst (bijv. als reactie op het verlaten van huis of gezinsleden).

    Voor de paniekstoornis zonder agorafobie gelden de volgende criteria:

    • A. Zowel (1) als (2) zijn van toepassing:
    1. Herhaalde onverwachte paniekaanvallen.
    2. Minimaal één van de aanvallen is gevolgd door minstens één maand met minstens één van de volgende criteria:
      1. Aanhoudende zorg over nieuwe aanvallen.
      2. Zorg over implicaties of gevolgen van de aanval (bijv. de macht over zichzelf verliezen, een hartaanval krijgen, gek worden).
      3. Een duidelijke verandering in gedrag in relatie tot de aanvallen.
    • B. Afwezigheid van agorafobie.
    • C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van het innemen van een substantie (bijv. drugs of medicijnen) of een somatische aandoening.
    • D. De paniekaanvallen zijn niet uitsluitend het gevolg van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld de sociale fobie (bijv. blootstelling aan gevreesde sociale situaties), specifieke fobie (bijv. blootstelling aan een specifiek fobische situatie), obsessief-compulsieve stoornis (bijv. blootstelling aan vuil van iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijv. als gevolg van prikkels die gekoppeld zijn aan een ernstige stressfactor) of separatieangst (bijv. als reactie op het verlaten van huis of gezinsleden). 
     
     
    Lees meer...
    Angststoornis

    Iedereen is wel eens angstig. Angst is een normale reactie bij dreigend gevaar. Het leidt tot voorzichtigheid of tot vluchten, en kan dus nuttig zijn als je jezelf moet beschermen. Soms is iemand bang terwijl daar weinig aanleiding voor is. Als de angst erg groot is of onnodig lang aanhoudt, kunt u daar in uw dagelijks leven veel last van hebben. We spreken dan van een angststoornis. Er zijn verschillende soorten angststoornissen. Eén daarvan is de gegeneraliseerde angststoornis.

    Wat is een gegeneraliseerde angststoornis?

    Iemand met een gegeneraliseerde angststoornis maakt zich voortdurend erge zorgen over allerlei dingen uit het dagelijks leven, terwijl daar weinig aanleiding voor is. Vaak gebeurt dit onbewust. U zit bijvoorbeeld steeds in angst over uw werk, de kinderen, de vakantie, over wat u allemaal moet betalen of wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren.

    Wat zijn de verschijnselen?

    Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis zitten voortdurend te piekeren, zijn rusteloos en prikkelbaar. Ze kunnen zich niet goed concentreren, zijn gespannen en moe. Ook kunnen spierklachten en slaapproblemen ontstaan.

    Op momenten dat de angst overheerst, kunnen de volgende klachten ontstaan:

     

    • hartkloppingen, transpireren, duizeligheid, beven;
    • hyperventilatie, benauwdheid, een vervelend gevoel in de borst;
    • tintelingen of een doof gevoel in handen en/of voeten;
    • misselijkheid of diarree;
    • het gevoel niet meer te weten wie of waar u bent;
    • het gevoel dat u de controle over uzelf verliest, gek wordt of doodgaat.

     

    Mensen met deze angststoornis kunnen spanning en onzekerheid slecht verdragen. Dat kan ertoe leiden dat u nieuwe, onbekende situaties uit de weggaat om extra stress en mogelijke problemen te voorkomen. Vakanties worden liefst dicht bij huis doorgebracht (bijvoorbeeld elk jaar op dezelfde camping). Relatiespanningen worden niet uitgesproken maar toegedekt. Confrontaties worden vermeden. Als u bijvoorbeeld erg gespannen wordt bij iedere rekening die u krijgt toegestuurd, kan dat ertoe leiden dat u uw post niet meer opent. Sommige mensen vluchten voor spanningen door in bed te gaan liggen. Of ze proberen hun zorgen en angstgevoelens te verdringen door veel te eten. Sommigen gebruiken alcohol, drugs of kalmerende middelen om zich minder gespannen te voelen. Maar als u spanning en onzekerheid blijft vermijden, leert u niet met die spanning om te gaan en deze te doorstaan. De angst voor onzekere of nieuwe situaties houdt daardoor aan of wordt erger.

    Hoe ontstaat het?

    Waarom iemand een angststoornis krijgt, is niet duidelijk. In sommige families komen angststoornissen vaker voor. Erfelijkheid speelt daarbij een rol. Je zou kunnen zeggen dat de een meer kwetsbaar is dan de ander. Er wordt gedacht dat bepaalde stoffen (neurotransmitters) invloed hebben op iemands gevoeligheid voor angst en paniek. Neurotransmitters zitten bij iedereen in het bloed en in het zenuwstelsel. De manier waarop iemand met angst omgaat lijkt voor een deel ook aangeleerd. Opvoeding en ervaringen uit het verleden spelen daarbij een rol.
     
     
    Lees meer...
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl